Ik had me verheugd op de baan. Werken voor de gemeente en, na een korte inwerkperiode, grotendeels vanuit huis. Geen kantoortuin. Geen geroddel bij het koffieapparaat. Geen impertinente managers die je van je werk afhouden. En mensen helpen met hun vragen. Maar bij de voorselectie-bijeenkomst bekoelde m’n enthousiasme al snel. Terwijl ik eerst dacht dat er een taaltest zou worden gehouden op de computers in de ruimte, op basis waarvan de geschiktheid zou worden vastgesteld, ontdekte ik dat het twintigtal aanwezige kandidaten in het bijzijn van elkaar hun persoonlijke motivatie moest toelichten. Bij de vraag wie er als eerste wilde beginnen, voelde ik het aan mijn water. Wie als eerste z’n vinger opstak zou een wit voetje halen en het gras voor de voeten van anderen wegmaaien. Sommigen namen daarna niet de moeite om zelfs maar te doen alsof ze luisterden. Het viel ze niet kwalijk te nemen. Elke vriendelijke belangstelling kon gegeven de situatie moeilijk op waarde worden geschat. Je had de schijn tegen als je het probeerde. Wat ook niet hielp was dat de ‘recruiter’ een tamelijk deprimerend beeld schetste van de inhoud van het werk maar desondanks wel verlangde te horen hoe geweldig het vooruitzicht wel niet was om bij dat bedrijf in dienst te treden en hoezeer we ons erin hadden verdiept. Dit werd geïllustreerd met een voorbeeld over hoe je het schoeisel van een schoenverkoper ophemelt als je er aan de slag wilt. Iedereen boven de veertig moet op dat moment meteen aan Al Bundy hebben gedacht. Ik vroeg me openlijk af of het werkelijk zo is dat elke werkgever van zijn personeel verwacht dat zij het eindproduct appreciëren. Kun je bij Coca Cola aan de slag met het argument dat je zo van Coke houdt? Is het een breekpunt? Het maakt je niet gekwalificeerd als data-analist of logistiek medewerker. Is het niet veeleer dat ze professionele mensen zoeken die zich van hun taak kunnen kwijten? En dat je persoonlijke smaak er minder toe doet? Ondernemers kunnen ook maatschappelijke waarden hebben waar je achter kunt staan, reageerde de ‘recruiter´. Tuurlijk, maar dat gold niet voor het voorbeeld van de schoenverkoper waar ze mee begon. Daarna had ze het ook nog over koffie. Het zou niet goed staan als je voor een koffieproducent wilt werken terwijl je niet van koffie houdt. Een aantal mensen begon te lachen. “Ik betwijfel of George Clooney echt van Nespresso houdt”, zei ik nu opstandig. “Ja, maar dat is een acteur!”, wierp ze tegen. Exact. Zijn we dat niet allemaal als de producent als eis stelt dat we diens koffie heerlijk vinden? Misschien doet het er in werkelijkheid niet toe, zolang we het net als Clooney maar aan de man kunnen brengen. Het bedrijf in kwestie, dat in feite niets meer is dan een bevoorrechte goedkope onderaannemer, dat meer belang hecht aan het halen van targets dan het bieden van een kwalitatief goede dienstverlening en dat zichzelf veel te serieus neemt, trekt vermoedelijk ook alleen maar acteurs aan.